Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Uitvoeringswet EG-bewijsverordening

 

Wet van 26 mei 2004 tot uitvoering van de verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1) (Uitvoeringswet EG-bewijsverordening)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is voorzieningen te treffen ter uitvoering van de verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1
Algemene bepalingen

Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a
verordening: de verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1);
b
verzoekend gerecht: een verzoekend gerecht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening;
c
aangezocht gerecht: een aangezocht gerecht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening;
d
centraal orgaan: het centrale orgaan, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening;
e
bevoegde autoriteit: de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de verordening.

Artikel 2
1
Als gerechten die bevoegd zijn om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de verordening worden voor Nederland aangewezen de rechtbanken.
2
Het verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten wordt gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de uitvoering van het verzoek moet geschieden. In het geval van een getuigenverhoor of deskundigenonderzoek wordt het verzoek gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de getuigen of deskundigen, of het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven. Indien de uitvoering van het verzoek in verschillende rechtsgebieden dient plaats te vinden, is elk van de rechtbanken van deze rechtsgebieden bevoegd het verzoek in zijn geheel uit te voeren.
3
Het verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten kan worden verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter is aan deze verwijzing gebonden.
4
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 3
1
Als centraal orgaan wordt voor Nederland aangewezen de Raad voor de rechtspraak.
2
Als bevoegde autoriteit wordt voor Nederland aangewezen de rechtbank te `s-Gravenhage.
3
Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het centrale orgaan zijn taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, uitvoert.
2
Verzoeken aan een gerecht, het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit in Nederland

Artikel 4
Verzoeken en kennisgevingen uit hoofde van de verordening aan een aangezocht gerecht, het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit kunnen worden gesteld in de Engelse taal.

Artikel 5
Het aangezochte gerecht kan, indien dit voor een goede uitvoering van het verzoek nodig wordt geoordeeld, de stukken door een beëdigd vertaler in het Nederlands doen vertalen.

Artikel 6
Voor verzoeken en kennisgevingen uit hoofde van de verordening geldt als snelste wijze van verzending als bedoeld in artikel 6 van de verordening de verzending per fax, of, indien het aangezochte gerecht, het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit heeft aangegeven een snellere wijze te aanvaarden, deze wijze.

Artikel 7
In geval van doorzending van een verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten ingevolge artikel 7, tweede lid, van de verordening, is het gerecht waaraan het verzoek wordt doorgezonden aan deze doorzending gebonden.

Artikel 8
1
Het aangezochte gerecht kan aan de deelname van partijen en hun vertegenwoordigers ingevolge artikel 11, derde lid, van de verordening en de deelname van vertegenwoordigers van het gerecht ingevolge artikel 12, vierde lid, van de verordening voorwaarden stellen die het uit het oogpunt van een goede procesorde nuttig of noodzakelijk acht.
2
De bevoegde autoriteit kan aan de rechtstreekse verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs ingevolge artikel 17, vierde lid, van de verordening voorwaarden stellen die zij uit het oogpunt van een goede procesorde nuttig of noodzakelijk acht.
3
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde voorwaarden.

Artikel 9
1
Het aangezochte gerecht kan bepalen welke der partijen zorg draagt voor de oproeping uit hoofde van een verzoek om een bewijshandeling te verrichten.
2
Oproepingen die niet door één der partijen worden verricht geschieden door de griffier van het aangezochte gerecht. De artikelen 171, 172, 173 en 178 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op het verhoor van getuigen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10
De kosten van de uitvoering van een verzoek om een bewijshandeling te verrichten komen ten laste van de Staat, behoudens de kosten waarvan ingevolge artikel 18, tweede lid, van de verordening door het verzoekende gerecht terugbetaling plaatsvindt en de kosten die ingevolge artikel 9, eerste lid, voor rekening van partijen komen.

Artikel 11
Een afwijzende beslissing op grond van artikel 10, derde of vierde lid, artikel 14, tweede lid, en artikel 17, vijfde lid, van de verordening wordt beschouwd als een beschikking waartegen voor partijen in de hoofdprocedure hoger beroep openstaat overeenkomstig de vierde afdeling van titel 7 van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat het hoger beroep de werking niet schorst, tenzij de rechter anders heeft bepaald, en dient te worden ingesteld binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de dag van de beslissing.
3
Verzoeken aan een gerecht, het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit in een andere lidstaat

Artikel 12
1
Een verzoekend gerecht kan een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of een andere persoon aanwijzen op de voet van artikel 12, tweede lid, van de verordening om aanwezig te zijn bij of deel te nemen aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs.
2
Een verzoekend gerecht kan een rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of een andere persoon op de voet van artikel 17, derde lid, van de verordening aanwijzen om rechtstreeks een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten.
3
Ten aanzien van de kosten van de in de voorgaande leden bedoelde andere persoon zijn de artikelen 195 en 199 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12a
Het verzoekende gerecht kan bepalen welke der partijen zorg draagt voor en de kosten betaalt van een door een beëdigd vertaler vervaardigde vertaling van de stukken in een door de lidstaat van het aangezochte gerecht aanvaarde taal.

Artikel 13
1
Omtrent de vergoedingen en kosten waarvan door het aangezochte gerecht op de voet van artikel 18, tweede lid, van de verordening aan het verzoekend gerecht terugbetaling wordt verzocht, wordt door de rechter overeenkomstig de artikelen 237 en artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitspraak gedaan, voorzover deze artikelen daarvoor een vergoeding plegen in te sluiten.
2
De griffier betaalt de in artikel 18, tweede lid, van de verordening bedoelde kosten en vergoedingen terug aan het aangezochte gerecht en brengt deze, voorzover zij in een veroordeling in de proceskosten plegen te worden begrepen, in rekening bij de eiser of verzoeker, tenzij de rechter daartoe in verband met de omstandigheden van het geding de gedaagde, de eiser en gedaagde gezamenlijk, een of meer andere belanghebbenden of dezen met de verzoeker gezamenlijk heeft aangewezen. Met betrekking tot de terugbetaling van de vergoeding voor deskundigen zijn de derde tot en met vijfde volzin van artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. In de in deze zinnen bedoelde gevallen zijn de artikelen 199, derde lid, en 244, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
3
Een deposito of voorschot van de kosten betreffende een deskundige als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de verordening, wordt door de eiser of verzoeker ter griffie gedeponeerd, tenzij de rechter daartoe in verband met de omstandigheden van het geding de gedaagde, de eiser en gedaagde gezamenlijk, een of meer belanghebbenden of dezen en de verzoeker gezamenlijk heeft aangewezen. De griffier voldoet het deposito of voorschot na ontvangst hiervan aan het aangezochte gerecht. In het geval het voorschot na verrichting van de bewijshandeling door de deskundige niet toereikend blijkt, worden de overige kosten in rekening gebracht bij degene die het voorschot heeft gestort of gedeponeerd. De tweede en derde volzin van het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14
1
De processen-verbaal van de uitvoering van een bewijsverrichting door een aangezocht gerecht hebben gelijke kracht als die van de Nederlandse rechter.
2
Andere stukken betreffende de uitvoering van een bewijsverrichting door het aangezochte gerecht hebben gelijke kracht als Nederlandse stukken met betrekking tot eenzelfde bewijsverrichting.
4
Slotbepalingen

Artikel 15
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van communicatietechnologie zoals bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de verordening.

Artikel 16
[Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.]

Artikel 17
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 18
Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 mei 2004
Beatrix
De Minister van Justitie , J. P. H. Donner
Uitgegeven de negenentwintigste juni 2004
De Minister van Justitie ,
j
P. H. Donner